Zondag 14 mei. Vrij houden staat er in mijn agenda. Zondag 14 mei is het Moederdag. Dat is jammer voor moeder, want zondag 14 mei is de dag waarvan ik later tegen mijn kleinkinderen wil kunnen zeggen: “Opa was erbij.”

We hadden al weken naar deze dag uitgekeken. Oma kreeg nog wel een aangebrand croissantje, maar daar bleef het die dag ook bij. Opa had slecht geslapen. Hij was zenuwachtig. Om twee uur ging de radio aan. Radio Rijnmond. Jullie vader was naar zijn vrienden gegaan om daar naar de televisie te kijken. Zij wilden wel betalen voor de live wedstrijden. Ze begonnen allemaal tegelijk, om half drie. De spanning was bijna ondraaglijk. Zou het nu dan toch gaan gebeuren? In Tilburg scoorde Willem II als eerste, maar die Amsterdammers liepen er daarna met twee vingers in de neus overheen. In Rotterdam wilde het maar niet lukken. Er moest gewonnen worden. Vijf minuten voor tijd was het dan toch zover. En ja, het was ook nog de oude Dirk. Hij scoorde. Opa juichte zijn keel schor. Toen het even later afgelopen was,  sprong hij meteen op zijn fiets. Onderweg pikte hij jullie papa op. De treinen waren stampend vol en dus fietsten we het hele stuk. Onderweg passeerden wij het Kasteel. Zo heette het stadionnetje van Sparta. Het arme Sparta had nog wel gewonnen van Ado, maar het mocht niet baten. De nacompetitie werd Sparta fataal. Weer Excelsior! Maar dat wisten we toen nog niet. Het interesseerden ons ook niet. We waren op weg naar de Coolsingel. Het was druk, heel erg druk. We dronken cola, want bier mocht niet van de burgermeester. Op de grote schermen zagen  we hoe de bus tergend langzaam door de stad reed en uiteindelijk pas om acht uur ’s avonds aankwam bij het stadhuis. Grote meneren stonden te huilen. Niet omdat ze verdrietig waren, maar omdat ze zo blij waren. Blij omdat hun club nu eindelijk kampioen geworden was. Opa stond helemaal achteraan en moest op zijn tenen staan om iets te kunnen zien, maar dat gaf niets. Opa was erbij. En toen Dirk op het bordes kwam en de microfoon pakte biggelde er ook bij hem een traantje over zijn wang. Jullie papa gaf mij een stomp en we lachten. Feyenoord was kampioen.

Soms, heel soms heb je zo’n moment.

Je voelt je eenzaam in de veel te grote stad met veel te smalle straatjes, waar je de geur van hasjiesj niet meer uit je neus krijgt. Je staat voor lul voor het rode licht. Iedereen loopt gewoon door. Bij groen word je van de sokken gereden door luid bellende fietsers. Een beetje normaal doorlopen lukt niet. Overal rolkoffers en feestneuzen. Engels is de voertaal. Heimwee. Dat is het woord. Je loopt in Amsterdam

En dan ineens is daar dat moment. Niemand ziet het, maar jij wel. Je gelooft je ogen niet. De zon begint spontaan te schijnen en niemand heeft het in de gaten. Je kijkt nog eens goed. Het staat er echt. Een serene rust neemt bezit van je geest. De stress is op slag verdwenen. Dit is wat je nodig had. Het is geschroefd op de kajuit van een oude schuit in de Amsterdamse gracht. Er is gewerkt op die schuit. Hij is rauw en aftands. Het maakt niet uit. Het past. In deze stinkende poel des verderfs voelt het toch als thuiskomen. Waarom het bordje op die boot is geschroefd, is je totaal onduidelijk, maar het zit er en dat is het belangrijkste.

Voordat ik verder loop, lees ik het nog één keer hardop: ROTTERDAM SCHIEDAM VLAARDINGEN.

oude-schuit

Eerst houdt de Jos Nijhuis een praatje, omdat zijn vliegveld over een paar weken honderd jaar bestaat. Hij is de directeur van Schiphol. Zijn verhaal is niet te verstaan, maar uit de lichtbeelden op het grote scherm achter hem maak ik op, dat het de strekking heeft van “kijk eens hoe goed ik ben”. Na de Schipholbaas neemt de organisator van de Winter Netwerk Borrel het woord. De directeur van Amsterdam Marketing is al net zo blij met zichzelf en zijn organisatie. Hij vertelt over het fantastische logo van de stad. Tien jaar geleden is het bedacht en nu wordt het nog beter, want het rode streepje gaat er af. I AMsterdam wordt nu nog krachtiger. Nog meer mensen zullen Amsterdam gaan bezoeken. En het waren er al zo veel. Dit jaar maar liefst 7% meer dan vorig jaar en de cruiseschepen brachten 6,4% meer bezoekers naar onze stad. En zo gaat hij maar door. Oh wat doet onze stad het goed. De dames om mij heen staan te soppen en de mannen krijgen spontaan een Amsterdammertje in de broek. Maar hé, hoezo onze stad? Ik werk hier alleen maar. Ik ben ook blij met al die toeristen, ik eet er van, maar dit is niet mijn stad. Na het praatje van de Marketingbaas is het de bedoeling dat iedereen een biertje of een wijntje in de hand neemt en de eigen succesjes deelt met de anderen. Zo hoort dat op een netwerkborrel. Ik luister naar het verhaal van de ZZP marketingdame die voor wel tien Amsterdamse musea werkt en de succesvolle jonge ondernemer die boottochtjes organiseert langs Amsterdamse architectuur. “Dan vaar je vast ook langs onze Munttoren”, vraag ik geïnteresseerd. Nee, hij doet alleen moderne architectuur op het IJ. “Maar dan moet je toch in Rotterdam zijn? De Kop van Zuid, het Centraal Station, De Rotterdam van Rem Koolhaas?” De succesvolle ondernemer kijkt mij schaapachtig aan. Rotterdam?

Het wordt mij te veel. Ik moet hier weg. Met een pover gevulde goodybag loop ik met grote passen naar het station. De trein naar Vlissingen. In Schiedam stap ik over. Maar misschien blijf ik vandaag wel zitten. Even door naar Rotterdam en dan een rondje over het stationsplein. Een blik op de stad. De lucht van Rotjeknor. En dan naar perron 1B. De trein naar Vlaardingen.

Rotterdam en Amsterdam, dat gaat niet zo goed samen. In Rotterdam spreken ze de naam van onze hoofdstad niet uit. Ze krijgen het in Rotjeknor niet over hun lippen. Nul twintig noemen ze die stad. In Amsterdam spreken ze de naam van de grootste havenstad van Europa ook niet uit. Gewoon omdat het ze niet kan boeien. In Amsterdam zijn ze met andere zaken bezig. In Amsterdam wordt gefeest, gezopen, geblowd en gesnoven. In Rotterdam werken ze zich het apelazerus om de boel in de rest van Nederland draaiende te houden. Ondertussen brassen de yuppen in Amsterdam het geld er weer doorheen. In Rotterdam staat de mooiste voetbaltempel van Nederland en in Amsterdam worden ze meestal kampioen. Rotterdam en Amsterdam, dat gaat niet goed samen. En toch was het ooit anders. Ik liep pas geleden door het centrum van Amsterdam en op de Oude Hoogstraat zag ik op de pui van een winkel, in mooie koperen letters, de tekst “Amsterdam Volkswarenhuis Rotterdam”. Dat moet een vruchtbare samenwerking geweest zijn. Als je het weet, kan je midden in Rotterdam het stadswapen van Amsterdam vinden. In 1964 gingen de Amsterdamsche Bank en de Rotterdamsche Bank samen verder. Het hoofdkantoor kwam op de Coolsingel in Rotterdam en de drie kruizen op het schild werden fraai in de gevel van het mooie pand opgenomen. In 1984 stond diezelfde Coolsingel vol. Feyenoord was kampioen van Nederland en dat was te danken aan een Amsterdammer, Johan Cruijff. En nu is die Amsterdammer met nummer veertien ziek. Niet zomaar ziek. Kanker. Afgelopen weekend werd er in de voetbalstadions geklapt, om Johan een hart onder de riem te steken. Dat was mooi. Maar het allermooiste applaus klonk in de Rotterdamse Kuip. Het legioen klapte in de veertiende minuut zijn handen blauw voor het clubicoon van 020. Kippenvel. Ik hoop dat Johan nog heel lang een levende legende mag blijven. En dat de Coolsingel dit voorjaar weer vol staat.

Zit u wel eens ’s avonds laat op de trein te wachten? Ik wel. Op de meeste stations is er na tien uur niet veel meer te beleven, maar op Amsterdam Centraal is dat anders. Het prachtige gebouw van architect Cuypers dateert uit de negentiende eeuw. Glimmend aan de buitenkant, viezig aan de binnenkant. Als de avond gevallen is en de NS de massa het station uitgereden heeft, kan je weer rustig op een bankje plaatsnemen om op de vertraagde intercity naar Rotterdam te wachten. En dan begint het: Het is geen vlooientheater, maar het lijkt er wel op. De muizen komen uit de gaten en kieren en gaan op zoek naar voedsel. Ik zie een heel kleintje over de spoorbielzen trippelen. Zenuwachtig drentelt hij heen en weer. “Die smerige duiven hebben alles al opgevreten. Oohhh, wegwezen, daar is de sprinter naar Haarlem.” Als het fluitje van de conducteur over de perrons echoot en de trein de nacht inrijdt, heb ik weer zicht op het perron aan de overkant. En ja hoor. Daar is hij. Meneer Veldmuis. Driftig rent hij van links naar rechts. Het lijkt wel of hij dronken is. Zijn vrouwtje komt onder de snoepautomaat vandaan. Volgens mij heeft zij ook te diep in de verfrommelde bierblikjes gekeken. Als je dronken bent vergeet je te eten. Waar zijn ze mee bezig? Proberen ze stoer te doen? “Kijk ons eens. We rennen gewoon over het perron hè, terwijl jullie ons niet te pakken kunnen krijgen!” Of proberen ze de meisjes bang te maken? Muizenhumor. Het doel van hun caperiolen is mij totaal onduidelijk. Voor het applaus hoeven ze het ook niet te doen. Het lijkt er op dat ik de enige ben die aandacht voor het stelletje heeft. “Waar blijft Pinkeltje?”, vraag ik mij ineens af. Die is toch bevriend met de muizen? Maar het kleine mannetje laat zich niet zien. Pinkeltje zit sinds vorige maand in een ander gebouw van Pierre Cuypers, het Rijksmuseum. Verstandig. Daar is een Rotterdammer de baas, en die laat elke avond iemand stofzuigen.

Dat de Italianen gevoel voor drama hebben wisten we natuurlijk al. Afgelopen week werd dit maar weer eens bevestigd door de burgemeester van Rome. Meneer Ignazio Marino vond dat de beesten uit Nederland zijn stad wilden vernietigen. De net gerestaureerde fontein Fontnana della Barcaccia werd volledig vernield door de barbaren uit Nederland. Ik heb filmpjes en foto’s gezien van de rellen in Rome, voorafgaand aan de voetbalwedstrijd tussen AS Roma en Feyenoord. Dat was niet fraai. Een stelletje snuivende en zuipende idioten gooiden met alles wat voor het grijpen lag en vooral met bierflesjes. Die lui sporen niet. Oppakken en zwaar straffen, zou ik zeggen. Maar ik zag geen vernietigde stad. Ik zag een fontein met heel veel rotzooi er in en heel veel afval op straat. Een beetje het beeld van Amsterdam op de dag na Koninginnedag. Ik zag dat het pleisterwerk van de fontein beschadigd was. Met een plamuurmes en een beetje vulmiddel van de Gamma kom je een heel eind.

Als de Rotterdammers op bezoek komen mag je van de burgemeester van Rome verwachten dat hij zich een beetje inleest. De Europacuphistorie van Feyenoord is de moeite waard, maar je bent er ook zo doorheen. Misschien een uurtje werk, als je niet zo snel leest. Een burgemeester die berekend is op zijn taak, weet wat hij moet doen als er een stuk of 5000 Nederlandse voetbalfans naar zijn stad komen. Zo’n burgemeester zorgt er voor dat die fans een plek aangewezen krijgen waar ze een feestje kunnen bouwen. Die burgemeester zorgt er voor dat de middenstand wat kan verdienen aan al die voetbalsupporters en die burgemeester zorgt er voor dat er genoeg prullenbakken zijn zodat die lui niet alles op straat hoeven te gooien. Die burgemeester zorgt er voor dat de ruim 100 idioten met hun laffe meelopers meteen opgepakt worden zodra ze ook maar één middelvinger opsteken naar de politie, want dat is waar je die ééncelligen aan kunt herkennen. Maar Ingazio Marino heeft dat allemaal niet geregeld. Ignazio had niet verwacht dat er zo veel problemen zouden zijn met de Feyenoord aanhang. “Een beetje dom”, zou onze Koningin zeggen. Als het eenmaal uit de hand gelopen is,  vraagt Ignazio de Nederlandse ambassadeur om excuses en herstelbetalingen.

Een week eerder verkondigden de echte barbaren van Islamitische Staat vanuit Libië, dat ze aan de poorten van Rome staan te rammelen. Ik houd mijn hart vast met zo’n burgemeester. Arme Romeinen.

Een zondagmiddag met de tranen over de wangen van het lachen in Kantine Walhalla op Katendrecht. De try-out van Hans Dorrestijn met de drie beeldschone dames van Zazi is geslaagd. Ga die voorstelling zien, als u de kans krijgt. Voor mijn vrouw en mij is dit slechts het voorprogramma. Wij zijn namelijk door hotel New York uitgenodigd om, geheel gratis, te overnachten in de “directie-suite” van dit bijzondere hotel. De avond begint met een diner in het sfeervolle restaurant. Daarna snel naar de kamer. Studio Sport hebben we al gemist. Jammer. We hebben thuis al besloten om lekker de hele avond op de kamer te blijven. Dat kan makkelijk, want er is genoeg vertier. We kijken via de Nieuwe Waterweg uit op de Euromast en met de verrekijker die in het raamkozijn voor ons is klaargezet kunnen we aan de overkant bij het Wereldmuseum naar binnen gluren. Midden in de kamer staat een design ligbad. Voor de totale wasbeurt kunnen we gebruik maken van een stortdouche in de luxe badkamer.  Als we op het knopje drukken van de afstandsbediening schuift er aan het voeteneind van ons reusachtige bed een TV scherm omhoog. Maar we kunnen ook een filmpje kijken op het grote beeldscherm in de zithoek. We drinken een Nespressootje, want dat is gratis, heb ik gelezen. De twee flesjes bronwater kunnen we ook gewoon kosteloos openen. Er is geen minibar, maar wel 24 uur roomservice. Niet gratis. Kijk, Roon is wel slim, maar niet dom. Voor vertrek heeft hij nog snel even en flesje wijn in de tas geschoven, om de sfeer in de suite nog eens extra te verhogen, zonder dat het een cent kost. Om kwart over tien begint Studio Voetbal. Gezellig. “Schat, wat denk je, is het al tijd voor de wijn? Ik heb een mooie fles meegenomen.” De fles hebben wij een tijdje geleden cadeau gekregen van een goede kennis. Ik wil de dop eraf draaien, maar het lukt mij niet. Nee, hè. Het is een fles met een kurk. Ik wist niet eens dat er nog zulke flessen bestonden. Zullen we roomservice bellen? Nee, dat is decadent.

De avond was nog best gezellig met een glaasje mineraalwater en een overwinning van Feyenoord. Als ik maandag bij thuiskomst mijn toilettas opruim, vind ik in het zijvakje een instrument dat ik altijd meeneem op vakantie: Een zakmes met flessenopener en kurkentrekker.

“Je krijgt vandaag de kans om je van slepende zaken te ontdoen. Neem die kans waar.” Het staat in de sterren geschreven. Ik lees het in het krantje dat ik elke ochtend in de stationshal meepik. De horoscoop in de krant, een grappige vorm van amusement. Meer niet.

Als ik aan het einde van een dag weer op het station arriveer en op zoek ga naar mijn fiets in de stalling van station Schiedam, slaat de schrik mij om het hart. Waar is mijn fiets? Ik zoek een mooie grijze fiets met sportieve zijtassen. Ik zie hem niet. Dan ineens zie ik mijn tweewieler staan. Gewoon op de plaats waar ik hem vanmorgen heb gestald. Maar er is iets vreemds waardoor ik hem niet herkende. De fietstassen zijn verdwenen. Ik krijg een rood hoofd. Het zal toch niet waar zijn. Het is wel waar. Ze zijn gejat. En met de fietstassen is ook mijn lichtgewicht regenpak verdwenen. In het centrum van Rotterdam heeft mijn fiets eens een dag lang op slot gestaan met het sleuteltje er nog in. Een uitnodiging voor iedereen die een mooie fiets zoekt, zou je zeggen. Aan het einde van de dag stond hij er nog gewoon. In Rotterdam snappen ze waarschijnlijk dat er nog iemand op die fiets naar huis wil. Iemand die een hele dag hard gewerkt heeft. In Schiedam is dat anders. Daar vinden sommigen het nodig om een boel moeite te doen om een paar fietstassen van een fiets te halen en de tassen, met inhoud mee te nemen. Dat de harde werker daarna misschien in de zeikregen naar huis moet fietsen zonder regenpak, dat interesseert de betreffende lieden blijkbaar niet. Met een lijf vol emoties fiets ik weg en herinner mij ineens de horoscoop van vanmorgen. “Je krijgt vandaag de kans om je van slepende zaken te ontdoen. Neem die kans waar.” Zouden ze daar bij die sterren om een uur of vier gedacht hebben: “Als hij het zelf niet doet dan helpen wij hem wel een handje. Mensen die de horoscoop een grappige vorm van amusement noemen, zullen wij even een lesje leren. We zullen die Roon eens van een paar slepende zaken ontdoen. Elke dag zo’n regenpak heen en weer slepen, terwijl negen van de tien keer het zonnetje schijnt. Dat is een zware last.”

De horoscoop in de krant, een vorm van amusement, maar soms niet zo grappig.

Het is een mooie zondagochtend. Kerkbezoek zou een mogelijkheid zijn. Het is het zonovergoten terras van Hotel New York geworden. In de kerk hadden we waarschijnlijk niet naar een vrije plaats hoeven zoeken. Hier wel. Vijf lege stoelen hebben we nodig. Door een snelle actie van mijn vrouw belanden we aan een mooi tafeltje met uitzicht op de Maas. “Koffie graag, met appeltaart. Ja ook slagroom, heerlijk.” Met een stel vrienden beginnen we aan een gezellige dag in Rotterdam. Ondanks de drukte wordt de koffie vrij snel geserveerd. De taartpunten laten echter op zich wachten. Na een paar minuten neem ik toch maar een slokje van mijn koffie, anders wordt hij koud. Ik zie de vrienden twijfelen. Wachten op de taart of ook maar een slokje nemen. Iedereen kiest voor het laatste. Mijn vrouw schiet een ober aan. “Wij hadden nog gebak besteld, komt dat nog?” De vriendelijke jongeman glimlacht en belooft er achteraan te zullen gaan. Als iedereen de koffie op heeft, worden de punten geserveerd. Ik kan het niet laten en vraag de ober (een vriendelijke student), hoe dat nu moet, want de koffie is al op. De jongen maakt de indruk, dat hij mijn vraag niet begrijpt. Wij hadden tenslotte koffie en appeltaart besteld en die hebben wij nu toch gekregen? Ik leg hem uit dat ik de koffie en taart graag tegelijk wil nuttigen en dat ik het dus vervelend vind, dat de taart pas geserveerd wordt als de koffie al op is. De jongeman vertelt dat het drukker is dan normaal en dat het heel gebruikelijk is in de horeca dat eerst de koffie geserveerd wordt en daarna pas de taart. Als we willen afrekenen, gaat de jongeman ineens ingewikkeld zoeken in zijn portemonnee. Of wij nog een momentje hebben? Hij moet naar binnen voor het wisselgeld. Laat maar zitten, is onze reactie.

Ik ben niet zo’n frequente bezoeker van horecagelegenheden, maar hoe komt het toch dat dit niet mijn eerste ervaring is met een stuntelstudent die mijn irritatieknopje weet te raken? Mijn vrienden adviseren mij om mij niet zo druk te maken. Natuurlijk hebben ze gelijk. Ik heb ook een advies. Aan u. Het terras van Hotel New York in Rotterdam is een echte aanrader. Ga daar zeker eens een kopje koffie drinken. De appelpunten zijn heerlijk. Maar wil je echt genieten, bestel dan eerst de punt en als deze geserveerd is, de koffie.

Zaterdagochtend, ik moet werken en sta op het punt om de fiets te pakken. Op het moment dat ik de tuindeur open doe begint het te regenen. Kan gebeuren. Ik pak mijn paraplu en loop naar Station Vlaardingen Centrum. Daar aangekomen, word ik al voor het perron opgewacht door een dame: “Er rijden geen treinen.” “Wat zegt u?” “Er rijden de hele dag geen treinen. Over twee minuten komt er een bus.” Ja hoor, het is weer zover. De Nederlandse Spoorwegen zet bussen in. Al snel wordt mij duidelijk dat het kantoorpersoneel bij de NS niet alleen de prullenbakken in de treinen moet legen, als de schoonmakers staken, maar ook op de bus gezet wordt als de treinen niet rijden. De buschauffeur heeft geen idee waar hij moet stoppen. Hij mist de parkeerplaats, rijdt een stukje verder, stopt en trekt weer iets op. Mijn medereizigers en ik zetten een sprintje in om te voorkomen dat de beste man wegrijdt zonder ons mee te nemen. “Gaat u naar Schiedam?”, vraag ik terwijl ik probeer in te checken. De man kijkt op een velletje papier. “Schiedam Centrum, ja. Dat ding doet het niet hoor, ga maar gewoon zitten.” We passeren station Vlaardingen Oost aan de achterkant en de bus stopt niet. Vreemd. We rijden Schiedam binnen maar slaan niet links af. Vreemd. Naast de chauffeur zit een jongeman met een vel papier. Hij wijst de weg. Blijkbaar zit er geen Tomtom in de bus. Vreemd. Ook bij het volgende kruispunt gaat de chauffeur rechtdoor. Vreemd. Alle passagiers in de bus zijn stil. Als we bij de laatste mogelijkheid om Station Schiedam Centrum te bereiken weer rechtdoor rijden, wordt het mij toch te riskant. Ik loop naar voren en vraag de chauffeur of hij wel echt naar station Schiedam gaat. “Ja hoor, naar station Schiedam Centrum.” “Maar rijdt u dan via Breda?” vraag ik vriendelijk. Op dat moment wordt de rest van de bus ook wakker. Ja, iedereen vindt dit een vreemde route. En er komt zelfs een meneer naar voren om te vertellen dat hij in Schiedam werkt en de weg wel zal wijzen. Ik kan mijn plaats weer innemen. “Bij de eerstvolgende rotonde naar links.”  De buschauffeur neemt de eerste afslag op de rotonde. “Dit is naar rechts. Ik zei echt naar links.” Uiteindelijk komen we aan bij Station Schiedam Centrum. Een meisje informeert beleefd of de bus nog stopt bij station Vlaardingen Oost. Op weg naar perron 5 kom ik een medebusreiziger tegen die daar al geweest is. “Er rijden hier ook geen treinen.” “Maar toch wel richting Amsterdam?” “Nee helemaal niets” Het hele station is donker. Lang leve de Nederlandse Spoorwegen.

Gelukkig heeft de Rotterdamse Elektrische Trammaatschappij hier nog een metrolijntje liggen en kom ik toch nog via een omweg in Zoetermeer.